CASINO MINACHTING VOOR DE TOLERANTIE

Radio Libertaire: Je schrijft over de haat en de minachting van Pasolini voor de parlementaire democratie en over zijn visie op ‘tolerantie’.

René Schérer: Hij heeft de tolerantie bekritizeerd als hypocrisie, als een valse oplossing, met name als het gaat om de aanvaarding of de erkenning van seksuele minderheden. Die houding van minachting dat het verschil aanduidt onder het teken van een bepaalde vorm van uitsluiting, want tolereren betekent tegelijkertijd uitsluiten. Deze uitdrukking kan contradictorisch lijken, want indien men uit principe tolereert dan sluit men niet uit, maar Pasolini ziet in deze term de bevestiging van een hiërarchie: men wil zeer zeker de neger, de jood of de homo in de maatschappij aanvaarden, maar als iemand die men tolereert. Hetgeen wil zeggen dat ze er, strikt genomen, geen deel van uitmaken, niet gelijk zijn aan de anderen, en dat zelfs het toekennen van rechten een manier is om hen op afstand te houden. Het is in dit opzicht dat hij kritiek levert op de moderne maatschappij, die in staat is alles te integreren omdat ze in feite niet aanvaardt en er enkel mee volstaat te tolereren.

Radio Libertaire: Toch kan Pasolini zich geen revolutionair noemen omdat hij zich beroept op het verleden?

René Schérer: Voor Pasolini kan elke creatie enkel een werk van verzet zijn, van weerstand aan de destructieve krachten van de hedendaagse samenleving. En, in dat geval, dient men deze krachten te ondermijnen via het schandaal, via de godslastering.

“Ik besta als kracht van ‘t Verleden.
In traditie alleen bestaat mijn liefde.
Ik kom van de ruïnes, de kerken,
de altaarstukken, de verlaten
bergdorpen in de Apennijnen of Voor-Alpen,
waar mijn familie heeft gewoond.
Als een gek loop ik langs de Via Tuscolana,
langs de Appia als een hond zonder baas.
Of bezie de schemer, de ochtend
boven Rome, de Ciociaria, de wereld,
als eerste bedrijven van de Nageschiedenis,
die ik op mijn identiteitsbewijs mag bijwonen,
aan de verste zoom van een dood en begraven
tijdperk. Misgeboorte wie ter wereld komt
uit de schoot van een dode vrouw.
En ik, volwassen vrucht, zwalk rond
actueler dan alle actualiteit
op zoek naar familie die niet meer is.”

René Schérer: In het zeer mooie gedicht dat u net komt te lezen zie ik deze paradox, deze vorm van het verleden en anderzijds datgene wat bij Pasolini voor modern doorgaat.

Een lichaam zonder organen

Radio Libertaire: Je merkt ook in je boek op dat Pasolini een afkeer had om een oordeel te vellen over de casino wereld.

René Schérer: Ik herneem in dit verband de uitdrukking van Gilles Deleuze en zijn aversie voor het oordeel, die hij overigens zelf ontleent aan het beroemde geschrift van Antonin Artaud, ‘Pour en finir avec le jugement de Dieu’, dus bij uitbreiding, om een einde te maken aan elk oordeel. Zonder in de plaats van Pasolini te willen spreken, en zonder dat hij het er expliciet over gehad heeft, meen ik dat men dit idee kan terugvinden in alles wat hij geschreven en gezegd heeft. In elk geval, over wie hij geenszins een oordeel velt, wie hij geenszins veroordeelt, dat zijn precies die wezens die de vervloekten van de wereld vormen, de uitgeslotenen, de armen of het lumpenproletariaat. Wat hij daarentegen op een definitieve en radicale manier veroordeelt is de consumptiemaatschappij, waarvan hij een echt hels beeld ophangt in zijn laatste film, ‘Saló of de 120 dagen van Sodom’, dat als één grote allegorie kan opgevat worden, als één grote emblematische voorstelling. Daarmee beeldt hij, niet enkel in de vorm van een oordeel maar in de vorm van een directe illustratie, deze moderne maatschappij uit die niet enkel de ziel, maar ook, in een eerste niveau, het lichaam vernietigd heeft. In ‘Saló’ viseert de consumptiemaatschappij in essentie de ziel, d.w.z. de politieke orde, en tast ze de maatschappelijke mens aan. Terwijl datgene wat hij het tweede fascisme noemt op een veel dieperliggend niveau de mens aantast, want het is het geheel van het leven, van het milieu en van het lichaam zelf dat aangetast wordt.

“Als u hem een lichaam zonder organen gemaakt hebt
Dan hebt u hem bevrijd van al zijn automatismen
En hem aan zijn ware vrijheid teruggegeven.
Dan leert u hem opnieuw in omgekeerde richting te dansen,
Als in de waanzin van het volksbal,
En deze omgekeerde richting zal zijn ware plaats zijn.”

René Schérer: Ah! Dat is het slot van ‘Pour en finir avec le jugement de Dieu’ van Artaud, met het idee van het Lichaam zonder Organen, dat van Deleuze en Guattari zijn adelsbrieven gekregen heeft in hun grote boek ‘L’Anti-Oedipe’ over de verlangensmachine. Het Lichaam zonder Organen betekent gewoon de kracht van het lichaam dat niet dient verward te worden met de bouw van het levende organisme, maar dat zich verbreidt over het geheel van wat het lichaam omgeeft, dat maakt dat men niet opgesloten zit in zijn eigen organisme, maar dat men leeft temidden van spanningsvelden, van aantrekkingskrachten met de mensen die ons omringen.

Radio Libertaire: Tot slot. Je benadrukt de kracht die Pasolini aan het lichaam toekent. Prikkelt het de zinnen? Zet het aan tot orgieën?

René Schérer: Zinneprikkelend in de mate waarin het over Afrodite gaat, de godin van de liefde, en orgiastisch wanneer men zich beroept op Dionysos voor de erotisering van het geheel van de natuur. De mens is niet louter geïsoleerd in zijn organisme en zijn voortplantingsfuncties die in zekere zin door een huls van huid in zijn lichaam samengehouden worden. Hij staat in relatie tot wat we niet anders kunnen noemen dan natuurlijke, kosmische krachten, die door de kunstenaar moeten tastbaar gemaakt worden. Een schilder als Cézanne bijvoorbeeld schildert op een wilde of orgiastische manier de naakten in de natuur, hij verbindt de lichamen met het landschap. Pasolini toont in ‘Duizend-en-een Nacht’ hoe deze – naakte of schaars geklede – begerenswaardige lichamen zich oplossen in het landschap of ermee samensmelten. Dàt is de orgiastische betekenis: het feit dat de erotische kracht zich over het geheel van het menselijk milieu verbreidt en niet louter opgesloten wordt binnen een geslachtelijk organisme.

(1) Charles Fourier (1772-1837) was een vroegsocialist en sociale hervormer die een filosofie van de liefde ontworpen had. André Breton schreef een ‘Ode à Charles Fourier’.

* René Schérer en Giorgio Passerone, ‘Passages pasoliniens’, Ed. Presses universitaires du Septentrion, Paris, 2007.

Uit: ‘Le Monde Libertaire’, hors-série nr 32, juillet-septembre 2007. Vertaling: Johny Lenaerts. Het gedichtfragment ‘Ik besta als kracht van ‘t Verleden’ komt uit het gedicht ‘Verzen van de wereld’ (1962) en werd vertaald door Karel van Eerd, in: Pier Paolo Pasolini, ‘In de vorm van een roos. Gedichten’, Amsterdam: Meulenhoff, 1987.


Het gelaat

door Alain Finkielkraut

De centrale stelling van de ‘Scritti corsari’ luidt dat Italië, en mét haar gans de westerse wereld, een reusachtige culturele mutatie ondergaan heeft. Dit wil zeggen dat de oude maatschappij uit de weg geruimd en vernietigd werd door wat Pasolini, in navolging van vele anderen, de consumptiemaatschappij genoemd heeft. En dat deze liquidering talloze consequenties met zich meebrengt. Wat Pasolini zegt is dat de consumptiemaatschappij een maatschappij van uniformisering is, dat met deze nieuwe macht, die zich over het Westen geworpen heeft, er slechts één enkel model voor de mensheid overblijft: de kleinburger, en slechts één enkele wereldvisie: het hedonisme, het streven naar materiële waarden, en slechts één enkele cultuur: de massacultuur. De meest scherpe tegenstellingen lijken op een magische manier opgelost. Pasolini zegt dikwijls dat we momenteel op straat, afgaande op hun uiterlijk, op hun manier van spreken, op hun kleding zelfs, we niet langer meer een fascist van een antifascist kunnen onderscheiden. Zij kleden zich op dezelfde manier. En hij zegt dat een arbeider even gevoelig is als een patroon voor de argumenten van de reclame. Vroeger bestonden er beschavingen, waardesystemen, sociale klassen, klassenculturen, diverse werelden, en nu zijn we de tijd van Alles Hetzelfde en van de homogeniteit binnengetreden. ‘Elk verschil verdwijnt, de planeet is enkel nog bewoond door consumenten.’ Het verschil is bijgevolg enkel nog van kwantitatieve aard, en bestaat tussen degene die zich wat méér kan permitteren en degene die zich wat minder kan aanschaffen.

En deze wanhoop, zo lijkt me, doordrenkt ook al zijn films. Zelfs diè welke over heel iets anders gaan dan over de ravage die de moderniteit aanricht. Toen ik de films van Pasolini zag – ik heb ze niet allemaal gezien -, werd ik getroffen door de voorliefde van Pasolini voor het gelaat; en vooral voor de meest exotische gezichten. Indien hij zo ver weg gaat om zijn films te draaien – in Jemen, in Nepal, in Afghanistan – dan is dit om uiterst spectaculaire landschappen te kunnen tonen, maar op een dieperliggend niveau lijkt het me voor hem erom te gaan gezichten te sprokkelen. Zijn films staan vol van schijnbaar willekeurige close-ups, van enigszins parasitaire portretten die geen enkele functie vervullen: noch wat intrige, noch wat psychologie, noch wat decor betreft. Het lijken plotselinge zijsprongetjes die de verhaallijn onderbreken. En die boeren met zeer gegroefde, zeer zwarte gezichten, met een haast tandeloze mond op het scherm tonen, en die op een onbeholpen manier, haast afwezig naar de camera glimlachen alsof ze niet in een film spelen. Mensen die de toeschouwer in de ogen kijken, hetgeen door de wetten van de cinematografische vertelkunst verboden is. Ik meen dit opgemerkt te hebben in ‘Edipo Re’, ik meen dit opgemerkt te hebben in het geheel dat de ‘Triologie van het leven’ heet, voornamelijk in ‘Duizend-en-één Nacht’. En niet enkel spelen ze niet, maar hun onbeholpenheid en de manier waarop ze een beetje gegeneerd in de lens kijken stoppen het verloop van de film en, alsof we van medium veranderen, geven ze ons de indruk naar een foto te kijken. Dus op dat ogenblik wordt de charme verbroken, er zit in het beeld iets dat niet bij de afwikkeling van het verhaal hoort. En dat ‘iets’, zo lijkt me, is de steeds bedachtzame, door Pasolini als dusdanig gewilde aanwezigheid van een andere mensheid. Dit wil zeggen dat deze gezichten, in plaats van in de film geïntegreerd te worden, de verhaalstructuur breken en op een bruuske manier, plotseling, getuigen van een voorbije wereld. Het zijn, zo zouden we kunnen zeggen met een term uit de woordenschat van Pasolini zelf, gezichten ‘van vóór de antropologische revolutie’. Gelaatstrekken die uit onze gesteriliseerde omgeving verdwenen zijn, die anachronistische schimmen geworden zijn, en die in zekere zin de bittere wroeging van onze beschaving uitbeelden.

Uit: ‘Pasolini’, Maria Antonietta Macciocchi (Ed.), Paris: Grasset, 1980. Vertaling: Johny Lenaerts.


‘Iedereen schuldig!’ Uit een interview met Pier Paolo Pasolini

Op enkele jaren tijd is de bevolking van Rome veranderd. Vooral het gewone volk en op de eerste plaats die lagen die zich nà de oorlog in de omgeving van Rome en van de grote steden gevormd hebben: het subproletariaat van verdreven boeren…

Op 15 jaar tijd heeft een reusachtige mutatie de maatschappelijke structuren van Italië dooreengeschud: een antropologische revolutie. Deze revolutie werd voltrokken in de fase van de grootste industrialisering en economische ontwikkeling die het land ooit gekend heeft. Als we het van dichterbij bekijken dan lijken me twee fenomenen deze verregaande transformatie uit te drukken. Op de eerste plaats is de boerenbevolking, de kleinburgerij die lange tijd uit traditie clericaal was, gans dit middelste gedeelte van de maatschappij… ondergedompeld in de ideologie van de consumptie, in het nieuwe liberale hedonisme. Deze ideologie die verbonden is met de productie en de consumptie van goederen die meestal overbodig zijn, is erin geslaagd een mode, een echte verslaving te worden. De media hebben de uiterst schadelijke behoefte gecreëerd van een informatie die weerklinkt in de propaganda en de reclame. Hoe zeer hij zich ook op zijn autonomie en zijn individualisme beroept, toch is de mens van deze mutatie zichzelf niet meer meester. Hij is een formele mens, afgesneden van al zijn macht. Zijn enige bestaansreden bestaat in de abstractie van de macht, die hij via het bedrieglijke spel van het algemeen stemrecht instandhoudt en verrechtvaardigt. Die mens heeft geen wortels meer, hij is een monsterlijk creatuur van het systeem: ik acht hem tot alles in staat.

Ook dat hij zich opnieuw bij nieuwe vormen van fascisme zou aansluiten?

Ik ben van mening dat we langzaam afglijden naar een neofascisme dat nog veel gevaarlijker is dan dat wat we tussen beide oorlogen gekend hebben. Ik vrees dat deze afgrond, waar we in zullen vallen, veel erger zal zijn dan wat we beleefd hebben. De culturele mutatie die Italië doormaakt verwijdert haar van het historische fascisme maar ook van het democratische socialisme. We verwachten de catastrofe van nostalgische splintergroeperingen, van een staatsgreep of van dynamiet, om ons het recht aan te meten op een gezonde antifascistische verontwaardiging, en we zouden vergeten dat de erfgenamen van het archaïsche fascisme in het parlement zitten en een veel subtielere taal spreken, de taal van de massa, die aangepast werd aan de behoeften die men het opgelegd, en in zekere zin de massa aangeleerd heeft.

Hoe staat het met het verzet van het gewone volk tegen deze massacultuur? En met de dynamiek van de basis, en met de hoop die Italië tot in de jaren 1960 begeesterde?

Dag na dag maken we een systematische afslachting van oude, van positieve, oorspronkelijke waarden mee… Dàt is het wat we zien gebeuren in deze maatschappij die op weg is naar de nivellering. Voortaan hoort de volkscultuur tot de archeologie, ze ligt bedolven onder de cultuur die door de imperatieven van de warenconsumptie voortgebracht werd. Alle waarden in verband met het Vaderland, de Kerk of de agrarische of proletarische leefwijzen zijn verdwenen; de enige breuklijnen die in deze grote neokapitalistische metamorfose min of meer artificieel tussen deze bevolkingsgroepen blijven bestaan, zijn die van de politieke opties of veeleer die welke de keuze voor de ene of de andere partij symboliseren.

(…)

U hebt de nieuwe macht een nieuw fascisme genoemd. Maar waar bevindt zich deze hegemonistische macht? Mocht u het kunnen lokaliseren, dan zouden we beter begrijpen wat u onder ‘echt fascisme’ of ‘totaal fascisme’ verstaat.

Die macht is niet langer meer de macht van het Vaticaan, noch die van de christendemocratie of van zijn notabelen; het is zelfs niet die van het leger of van de politici, die nochtans overal aanwezig zijn. Het is een macht die zelfs aan de grootindustrie ontsnapt, in de mate dat de transnationaliteit van de ‘nationale’ industrie de ware beslissingscentra van de ontwikkeling, van de productie, van de investeringen, verplaatst heeft… Deze macht schuilt in de totalisering zelf van de industriële modellen: het is een soort algemene overheersing van de mentaliteit door de obsessie om te produceren, te consumeren en navenant te leven. Het is een hysterische macht, vandaar dat hij ook het gedrag (voornamelijk de taal van het gedrag) tracht te massificeren, de geesten tracht te normaliseren door op een verwoede manier alle codes te simplificeren, met name door de verbale taal te ‘vertechniceren’. Het historische fascisme was een macht die in grote mate gebaseerd was op een gezwollen retotiek, op het mysticisme en het moralisme, op de exploitatie van een aantal retorische waarden: het heroïsme, het patriottisme, het gezin… Het nieuwe fascisme daarentegen is een krachtige abstractie, een pragmatisme dat gans de samenleving aantast, het is een centrale, allesoverheersende tumor…

In tegenstelling tot de militaire en politionele orde die door een minderheid van buiten de civiele maatschappij opgelegd wordt, zou deze orde voortspruiten uit de heersende consensus.

Dit fascisme is een beetje het gemiddelde van de neurotische betrachtingen van een maatschappij, waarvan de extremistische bommenleggers en de ‘killers’ enkel maar het topje vormen, zij zijn de voorbeeldige conformisten. Het is een ziekte die het sociale weefsel op alle niveaus aanvreet, een ideologische ziekte die de ziel aantast en die niemand spaart.

Wil dit zeggen dat we allemaal betrokken zijn in het fasciseringsproces dat u aanklaagt?

Ik heb het goede geweten van bepaalde mensen van de linkerzijde erg gekwetst toen ik gezegd en geschreven heb dat de verantwoordelijkheid voor de aanslagen in Milaan, voor de aanslag op de Italicustrein of voor de aanslag in Brescia, bij iedereen lag. In 1974 heb ik in de ‘Corriere della sera’ geschreven dat indien de reële verantwoordelijken van deze ‘staatsbloedbaden’ te vinden zijn bij de regering en de politie, de verantwoordelijken uit nalatigheid wel degelijk te zoeken waren bij de progressieven, bij de democraten, bij ons allemaal die momenteel gewend zijn om te gaan met verontwaardiging. Ik heb gezegd en geschreven dat we altijd gedacht en gehandeld hebben alsof het fascisme van de jonge extremisten een soort raciale afwijking was, een biologische fataliteit. Ik ben van mening dat er niets ondernomen werd tegen het irrationalisme en de wanhoop van een deel van de jongeren, dat hen in ruil geen enkel ideaal voorgehouden werd dat de moeite waard was. Ik zeg dat we allemaal medeplichtig zijn.