HET ATYPISCHE ANARCHISME VAN GUSTAV LANDAUER

Van de grote persoonlijkheden van de anarchistische traditie is de Duitser Gustav Landauer in Frankrijk één van de minst bekende. Na de publicatie van een nieuwe versie van zijn beroemdste werk, ’La Révolution’ (Sulliver, 2006), verschijnt momenteel een keuze uit zijn essays uit de jaren 1901 tot 1918, die ons in staat stelt een beter zicht te krijgen op de diversiteit van zijn denken en ook om de fundamentele bijdrage voor het anarchisme te herontdekken van wat Michael Löwy het ’libertaire judaïsme’ genoemd heeft: het bondgenootschap dat tussen 1890 en 1940 in Duitsland en Centraal-Europa bestond tussen het romantisme en het joodse messianisme, in het teken van een kritiek op de Staat en het kapitalisme, maar ook in dienst van een revolutionair profetisme.

Landauer, die in 1870 als zoon van een schoenhandelaar geboren was en filosofie studeerde in Heidelberg, Berlijn en Straatsburg, voordat hij uit de universiteit uitgesloten en tot gevangenisstraf veroordeeld werd, is een eclectisch essayist. Hij schreef sprookjes en novellen, maakte toneel en schreef kritieken, maar hij vertaalde ook Shakespeare, Wilde en Whitman. Vanaf 23-jarige leeftijd gaf hij ’onafhankelijke socialistische’ tijdschriften uit, waarin de partijen en het parlementarisme op de korrel genomen werden. Hij verdedigde daarin een originele benadering van het anarchisme, dat noch zoals bij Stirner individualistisch was, noch communistisch zoals bij Kropotkin: hij riep op tot een federatie van landbouwcommunes, en hij zou in 1919 de arbeiders- en soldatenraden tijdens de vrije republiek in Beieren verdedigen, een republiek waarin hij kortstondig minister van openbare opvoeding was, voordat hij door de politie van Weimar geëxecuteerd werd.

Nieuwe gemeenschap

In ’Door afzondering naar gemeenschap’ (1901), de tekst die als titel voor deze bundel gekozen werd, stelt Landauer niet langer te willen militeren onder de proletariërs en de boeren. Liever dan via de voorhoede wil hij via ’afzondering’ de bronnen van een nieuwe gemeenschap zoeken. De revolutie, zegt hij, ligt niet in de toekomst maar in het hier en nu, als een collectieve capaciteit dat dient ontwikkeld te worden. De socialistische actie bestaat er dus niet in de economie te nationaliseren noch enkel maar vrije associaties tot een federatie te groeperen, maar in het uitwerken van een levensvorm die als voorbeeld kan dienen. Indien noch een God noch een Marx ons kunnen redden, dan komt het erop aan de onzekerheid van de tegenwoordige tijd om te zetten in een verlangen naar collectieve experimenten. Tegenover het ’wetenschappelijk’ socialisme verdedigt Landauer aldus het idee van een permanente revolutie en van de transformatie van het ik, als voorwaarde voor elke historische verandering.

Hij beroept zich hierbij op een onwaarschijnlijk sceptisch mysticisme dat zijn inspiratie vindt bij Meister Eckhart en het hassidisme. ’Voor anderen is het socialisme een politieke praktijk van politiek en partijen, terwijl het voor ons gaat om de vereniging van praktijk en geest,’ schrijft hij. Indien de Staat volgens hem dient vernietigd en het kapitalisme overstegen te worden, dan is dit omdat ze de scheiding tussen het ik en de wereld veroorzaken.

Landauer kritizeert ook de ’negatieve politiek’ van het geweld en van de ’propaganda van de daad’. Hij verkiest een ’positieve antipolitiek’, die erin bestaat een nieuwe gemeenschap te realiseren, wiens sociale basis reeds aanwezig, reeds in het kapitalisme ’ingeschreven’ is. Noch de lokaal verwortelde groep van de Duitse socioloog Ferdinand Tönnies, noch de natie, als willekeurige creatie van Staten, vormen het kader waarin deze nog virtuele gemeenschap dient vorm te krijgen. Het Centraal-Europees judaïsme levert daarentegen een maatschappelijk model waarin de band tussen landbouwgemeenschappen of arbeidersraden zou kunnen ontstaan. Deze Joden, die eenzelfde taal (het yiddish) gemeen hadden, en verstoten werden door de uitzonderingswetten van het Pruisische rijk in 1917, wilden in feite ’degenen worden die tot geen enkele natie behoorden’. Volgens dit perspectief zou de anarchie geherdefinieerd kunnen worden als ’een nieuwe natie in wording, die haar leden bij alle naties vindt’. Als vriend van Martin Buber en correspondent van Karl Kraus, een referentiepunt voor Gershom Scholem, Walter Benjamin en Paul Celan, is Landauer, omwille van deze originele reflectie over de communistische ethiek, een krachtige, hoewel enigszins nog verborgen, bron van een deel van het hedendaagse kritische denken.