Het belang van krediet formules voor energiebesparing

Het belang van kredietformules voor energiebesparing

Heel wat mensen hebben het geld niet liggen of willen het niet gebruiken om grote energiebesparende verbouwingen te doen of zelf hernieuwbare energie op te wekken. Een dak deftig isoleren kost al gauw 3.000 euro, nieuwe hoogrendementsbeglazing 7.500 euro en fotovoltaische zonnepanelen 10.000 euro. In heel wat woningen moet er voor bijna 15.000 euro geïnvesteerd worden om de doelstellingen te halen van het energierenovatieprogramma. Het is niet realistisch om te verwachten dat mensen zomaar hun spaargeld kunnen of willen gebruiken voor die kosten. Slechts een rechtstreekse korting op de factuur of de mogelijkheid om het hele bedrag van de werken te lenen, kan daaraan iets doen. Door de stijgende energieprijzen worden zulke kredieten voor energiebesparende ingrepen aantrekkelijker. De maandelijkse aflossing van de lening kan in theorie steeds gemakkelijker met de winst op de energiefactuur betaald worden. Zeker als de rente op de lening laag is of de kredietnemer beroep kan doen op premies en belastingsvoordelen. Toch hebben energiekredieten ook een aantal nadelen. Als de overheid ze verstrekt moet ze een erg groot bedrag vrijmaken op haar begroting, of moet ze op een andere manier geld aantrekken. Zulke overheidskredieten gaan ook gepaard met administratief gedoe. Als ze langs de andere kant door banken verstrekt worden, kunnen sociale doelstellingen erbij inboeten. Die nadelen kunnen we illustreren met twee soorten kredieten voor energierenovaties die de overheid al ingevoerd heeft.

De 50 miljoen euro uit het Fonds ter Reductie van de Globale Energiekost (FRGE) kan door (nog op te richten) lokale entiteiten gebruikt worden. Ze geven ermee goedkope of zelfs rentevrije leningen voor structurele energiebesparende maatregelen in particuliere woningen, in de eerste plaats bij ‘de meest behoeftigen’. Het systeem heeft een aantal sterktes. Het richt zich op degene die onvoldoende geld hebben om zulke maatregelen uit te voeren. De korting op de rente zorgt ervoor dat de kredietnemers er een goede zaak aan doen. Doordat het krediet wordt terugbetaald, kan het geld voor dezelfde doelstelling telkens opnieuw gebruikt worden door de overheid. Maar het beheer van het fonds, de oprichting en ondersteuning van de lokale entiteiten, het opsporen van ‘de meest behoeftigen’ en het toekennen en opvolgen van de kredieten heeft veel voeten in de aarde. Om partijpolitieke en andere redenen zijn er in de overgrote meerderheid van de Vlaamse gemeenten nog geen entiteiten opgericht die de leningen verstrekken. Toch lopen de werkingskosten van het fonds nu al op tot 2 miljoen euro per jaar. Bovendien komt de 50 miljoen euro van het fonds van private spelers die intekenden op een obligatie uitgifte. Met een gegarandeerd rendement van 3.92% en een fiscaal voordeel van 5% waren de obligaties erg aantrekkelijk. Omdat die vergoeding op het kapitaal niet van de rente op de kredieten komt, moet de overheid het bijpassen. Met andere woorden: om aan geld te geraken en om de kredieten bij de doelgroep te krijgen, maakt de overheid hoge kosten. Toch zijn deze kosten waarschijnlijk zinniger dan de uitgaves voor premies of belastingsaftrek. Ze houden een rollend fonds in stand dat dezelfde euro’s verschillende malen inzet voor energiebesparing.

Vlaams minister voor energie Hilde Crevits pakt het anders aan. Ze haalde de krantekoppen door te stellen dat ze een energielening zou invoeren die zichzelf terugbetaalt. Het systeem dat ze effectief invoerde, is slechts een administratieve vereenvoudiging in de aanvraagprocedure van een energierenovatiekrediet bij een gewone bank. Het is geen écht derde betalers systeem waarbij degene bij wie de ingreep gebeurt, de garantie krijgt niets van de investering te moeten bekostigen. Het kredietvoorstel en contract in de formule van Crevits kunnen van thuis uit geregeld worden. Een private bank betaalt daarna rechtstreeks de aannemer en daarop start de maandelijkse aflossing voor de kredietnemer. Hoewel er nu nog maar weinig banken en aannemers meedoen, kan het systeem op termijn op snelheid komen. Het is een nuttige vereenvoudiging in de procedure om een krediet te bekomen. Maar door de kredietverlening helemaal aan private spelers over te laten, komen de gekende problemen naar boven. Als het systeem verlieslatend is voor de banken zullen ze er vlug uit stappen. Ook zullen ze sociaal zwakkere groepen weren om de kredietrisico’s te drukken. Advies zal omwille van de kost tot een minimum beperkt worden. Wanneer het systeem goed werkt zal het de banken verrijken. De (hoge) rente betaald op de energieleningen van duizenden bouwlustigen vloeit gewoon naar de bank en zelfs naar haar aandeelhouders weg. (2)

Met deze twee redelijk recente overheidsinitiatieven is een belangrijke zoektocht gestart. Wat is de ideale kredietformule voor energierenovaties? Hoe verzoen je sociale en ecologische doelstellingen met efficiëntie vereisten? Hopelijk gaat de overheid verder in deze zoektocht en laat ze de energierenovatiekredieten niet geheel over aan de markt. Toch is het geen of-of verhaal. Omdat er jaarlijks minstens een miljard euro moet geïnvesteerd worden in de bestaande woningen, wordt er best breed geëxperimenteerd met nieuwe financieringsformules voor energiebesparing.