HET WOORD GEVEN AAN DE UITGESLOTENEN

Radio Libertaire: Behalve de lof op de schoonheid en de jeugd had Pasolini eveneens een grote interesse voor de verdediging van of voor de liefde voor allerlei vormen van minderheden.

René Schérer: Hij beschouwde zichzelf als iemand van een minderheid en in zekere mate als een uitgeslotene. In een boek dat in 1974 verschenen is, net vóór zijn dood, ‘Lettres luthériennes’, somt hij een aantal pedagogische voorschriften voor een jongere op, waarin hij zichzelf beschrijft als een marginaal. Hij herneemt een uitdrukking die we eveneens bij Jean Genet terugvinden en beschouwt zich als een neger, een jood, omwille van zijn kritiek op de moderne warenmaatschappij en van zijn homoseksualiteit. Hij spreekt steeds vanuit het standpunt van de minderheid. We dienen deze term op te vatten in de betekenis die Deleuze en Félix Guattari gegeven hebben aan de ‘littérature mineure’ naar aanleiding van Kafka, niét omdat zij inferieur zou zijn, maar omdat zij geschreven werd vanuit het standpunt van en vanuit een minderheid (voor Kafka door een jood in het Habsburgse rijk). Pasolini was ‘minoritair’ en ‘minder’ in deze betekenis: hij had aangeleund bij de Communistische Partij en er zich vervolgens van verwijderd, hij had min of meer de katholieke kerk opgezocht, alle bestaande partijen bekritizeerd… Het is een positie die we heel moeilijk in het hedendaagse denken kunnen situeren, maar die ons momenteel, nu een nieuwe generatie zich niet langer terugvindt in de grote partijen, erg aanspreekt. In zijn vroegste werken overigens, toen hij nog min of meer marxist was, interesseerde Pasolini zich reeds voor een andere klasse die verwaarloosd en zelfs bekritizeerd werd en die door de marxisten het lumpenproletariaat genoemd werd – zoals momenteel de wereld van de uitgeslotenen genoemd wordt. De wereld van de ‘misérables’, van de jongeren van de banlieues, van de ‘hangjongeren’, van de ‘accatone’ (bedelaars) die hun plaats niet vinden in de maatschappij, en die de eerste antihelden van Pasolini gevormd hebben.

Lof van de armoede, niet van de miserie!

Radio Libertaire: Pasolini kent een aparte plaats toe aan de arme wijken.

René Schérer: Ja, want er bestaat bij Pasolini een erg vreemde, en overigens moeilijk te vatten theorie van de armoede. Ik heb eerder gesproken over het jonge lichaam, dat op de voorgrond in zijn denken staat, dat terzelfder tijd het lichaam van de arme is, maar niet een arm, bloedeloos lichaam is. Het is daarentegen rijk omdat het het lichaam van de arbeider is, van de boer en van het straatkind. Volgens Pasolini is het niet de armoede maar is het de miserie die voortspruit uit een maatschappij van snelle productie en ontwikkeling van schijnbare rijkdom. Het is de moderne wereld die de – zowel seksuele als economische – miserie voortgebracht heeft, een miserie die uitsluitend uit de ontwikkeling voortspruit, een ontwikkeling die momenteel groei genoemd wordt. Het is een thema dat we terugvinden in het fouriëristische concept (1) van een uitsluitend economische ontwikkeling die de maatschappij in een impasse gebracht heeft. In de eerste brief van de ‘Lettres luthériennes’ haalt hij uit naar deze vorm van ontwikkeling die men verkeerdelijk geïdentificeerd heeft met vooruitgang.

Radio Libertaire: Pasolini staat dicht bij het begrip ‘décroissance’ (ontmanteling van de groei, jl) en lijkt daardoor zeer modern.

René Schérer: Ja, Pasolini is tegen de groei en beoogt veeleer de – erg moeilijke – combinatie, die we af en toe in zijn werk zien tevoorschijn treden, van armoede met echte menselijke vooruitgang. De vooruitgang in de richting van armoede (en niet langer meer van miserie): dàt zou de kern van Pasolini’s minoritaire politiek kunnen genoemd worden. Maar ik weet niet of je van hem kan zeggen dat hij modern is, tegenwoordig zou men eerder zeggen dat hij postmodern is. Indien hij modern is, dan is hij dat veeleer, zoals we reeds eerder gezegd hebben, omdat hij tegen deze vorm van recente moderniteit is: tegen de consumptie en de industriële ontwikkeling, deze groei die men tegenwoordig als vooruitgang beschouwt. Hij heeft dit aangeduid met een zeer zichtbaar beeld in een zeer gevoelige tekst: ‘Het verdwijnen van de vuurvliegjes’ in zijn ‘Ecrits corsaires’, die dateren uit de jaren 1970. De vuurvliegjes zijn glinsterende insecten die tijden de zomeravonden op het Romeinse platteland opdoken en die op een goeie dag verdwenen waren als gevolg van de luchtverontreiniging, van de aanleg van wegen, van de industriële productie en constructie – een symbool van wat men momenteel de complete vernietiging van het milieu zou noemen. En dàt is het wat van Pasolini iemand van het verleden maakt, want wat voor hem van belang is, dat zijn juist deze vuurvliegjes, die levensvormen die hij ook in een andere tekst de vormen noemt en die onder invloed van de ongebreidelde productie en consumptiedrift verdwenen zijn. Het gaat hier om een vernieuwing en een gelijktijdig versnelde destructie, het is een thema dat bij Pasolini centraal staat, dat totaal alle levensvormen veranderd heeft, hun fysieke voorkomen, zelfs hun lichamelijke voorkomen. Waardoor hij terugkeert naar tijdloze, oeroude dingen, die tot een nog levend verleden behoren, omdat het nog buiten de tijd staat: het verleden van de mythe. In één van zijn zeer grote films van de jaren 1970 die gewijd is aan de mythe Medea komt er een centaur voor, een mythologisch wezen dat half-paard en half-mens is, de opvoeder van Jason. Terwijl hij aan de oevers van de Po naar een zeer mooi moeraslandschap kijkt, zegt deze tot Jason: ‘Alles wat reëel is is mythisch en alles wat mythisch is is reëel.’ Hierin benaderen we die vorm van eeuwigheid, van onsterfelijkheid of van tijdeloosheid die eigen is aan het archaïsche, en via dewelke enkel de mens de uitdrukking van zijn bestaan kan hervinden, een bestaan dat niet vernietigd werd door de huidige industriële ontwikkeling. Hij is ook revolutionair, zelfs als hij op een gegeven ogenblik op een provocatorische toon zegt: ‘Ik wil niet als een reactionair beschouwd worden, want men kan geen revolutionair zijn, dit wil zeggen dat men zich enkel kan verzetten tegen deze destructieve ontwikkeling vanuit het moment waarin men in zekere zin reactionair is.’ En het is precies door dit bondgenootschap tussen het archaïsche en de revolutie dat Pasolini modern is of aan de kant van de vooruitgang staat. In een zeer interessant artikel, ‘Vooruitgang en ontwikkeling’ in de ‘Ecrits corsaires’, preciseert hij dat indien men onder vooruitgang een verbetering van het lot van de mens verstaat, van zijn bestaan, een vergroting van zijn levenskracht, van zijn capaciteiten,… dat dit geenszins in de betekenis van ontwikkeling dient opgevat te worden. Hij verwijt de linkse en de rechtse partijen dat ze deze fictie volkomen aanvaard hebben. Daarin zit zijn grote vijandschap tegenover de huidige democratie samengevat. Niet dat hij antidemocraat of antiparlementair zou zijn, maar hij verwijt de Italiaanse radicale linkerzijde die deelneemt aan de macht dat ze niet begrepen heeft dat men zich dient te verzetten tegen deze verwarring tussen vooruitgang en ontwikkeling.